Jan Mankes werd in 1889 geboren in Meppel. Al gedurende zijn jeugd
was tekenen zijn favoriete bezigheid en had hij grote belangstelling
voor de levende natuur, met name voor vogels. Doordat hij slechte ogen
had en door de ongeinspireerde wijze van lesgeven verliet hij al vroeg
de school om te gaan werken. In 1904 werd zijn vader overgeplaatst naar
Delft. Hier werd Jan aangenomen als leerling in de glasschilderfabriek
't Prinsenhof van J.L.Schouten. Hij kreeg 's avonds tekenles van zijn
collega H.Veldhuis (1878-1954) en hij volgde een cursus decoratief tekenen
aan de Academie voor Beeldende Kunst in Den Haag. Ook maakte hij vaak
wandelingen naar Den Haag voor een bezoek aan o.a. het Mauritshuis.
Toen hij op een keer met wat werkjes naar zijn stadsgenoot Antoon Derkzen
van Angeren stapte, raadde deze hem aan voor zich zelf te beginnen.
Kort daarop toog hij met 10 schilderijtjes naar Den Haag, waar de kunsthandelaar
Schregel alle werkjes van hem kocht.
In 1909 werd zijn vader gepensioneerd en verhuisde het gezin naar De
Knijpe bij Heerenveen, de geboortestreek van vader. Door het landelijke
karakter van de omgeving, was Jan hier erg in zijn schik. Kort daarop
leerde hij twee mannen kennen, die erg belangrijk voor hem zouden worden.
Allereerst de kunsthandelaar J.C.Schüller (1871-1915), die zonder dat
er sprake was van een contract tot aan zijn dood alle werken van Jan
zou kopen. Via Schüller leerde hij ook de sigarenhandelaar A.A.M.Pauwels
kennen (1875-1952). Pauwels werd zijn maecenas en zou hem steeds van
materiaal voor het schilderen voorzien. Ook voerden de twee een levendige
briefwisseling. In 1912 organiseert Schüller een grote tentoonstelling
van zijn werk in de Larensche Kunsthandel te Amsterdam. Deze tentoonstelling
wordt een groot succes. Kort daarop krijgt Jan Mankes van Pauwels een
etspers. Hij had inmiddels al een paar etsjes gemaakt, die hij afdrukte
met de wasmangel van zijn moeder. In 1913 begint hij ook houtsneden
te maken. In dat jaar leert hij ook Annie Zernike kennen. Annie was
de eerste vrouwelijke predikant van Nederland en was beroepen in het
kerkje in Boven Knijpe, waar Jan wel eens ter kerke ging. In 1915 trouwen
ze met elkaar en gaan ze in Den Haag wonen. Dit omdat Jan ernaar verlangt
de wijdsheid van de zee als inspiratiebron te gebruiken. Korte tijd
daarop wordt bij Jan tuberculose geconstateerd en omdat de zeelucht
deze ziekte verergerde verhuist het stel in 1916 naar Eerbeek op de
Veluwe. Hier wordt in 1918 hun enige zoon Beint (genoemd naar Jan's
vader) geboren. In 1919 gaat Jan voor een paar maanden naar Nunspeet
in de hoop daar verlichting te vinden voor zijn ziekte. Begin 1920 keert
hij terug naar Eerbeek, hij is dan nog nauwelijks in staat te lopen.
In de nacht van 23 april overlijdt hij.